Valide waarnemingen geven (gemiddeld) juiste uitkomsten. Uitkomsten zijn onjuist als zij bijvoorbeeld systematisch een te hoge of te lage waarde hebben, of als zij een andere eigenschap meten dan die welke was bedoeld. Bij onderzoek in een steekproef wordt de validiteit bepaald door een correcte manier van steekproeftrekking.
Voorbeelden. Een klok die achterloopt, geeft geen valide tijdmeting. Een thermometer moet goed geijkt zijn om valide waarnemingen te geven. Een pH-meter die temperatuurgevoelig is, meet behalve de zuurgraad ook (een beetje) de temperatuur en geeft dus geen valide uitkomsten. Wie een Nederlandstalige intelligentietest afneemt bij een Amerikaan, meet geen intelligentie maar taalkennis. Bij enquêtes wordt de validiteit vooral bepaald door een juiste en concrete vraagstelling. Op de vraag: “Wat vind je van dit TV-programma?” komen geen valide antwoorden, omdat niet precies wordt aangeduid welke aspecten zijn bedoeld: amusementswaarde, informatiegehalte, vormgeving, etc.
Validiteit en juistheid zijn min of meer synonieme termen.
Niet te verwarren met betrouwbaarheid, precisie of reproduceerbaarheid.
.
Bron: Kennisbank Statistiek. Geraadpleegd op 12 oktober 2015, http://www.wynneconsult.com/root/HomePageKB012.htm


