Homogeniteit van de onderzoekspopulatie: de mate waarop de leden van de onderzoekspopulatie op elkaar lijken.
Bijvoorbeeld. Studenten die deelnemen aan een project verschillen sterk van elkaar (ze zijn wel ongeveer even oud, maar verschillen sterk van mening) en zijn dus geen homogene onderzoekspopulatie. Er kan dan beter een grotere steekproef getrokken worden.
Groepen die elkaar vrijwillig opzoeken en op dat onderwerp ondervraagd worden, zullen homogener zijn. De meningen zullen minder extreem uiteen liggen. Dit biedt dan weer de mogelijkheid om gedetailleerdere vragen te stellen.
Bron: Graauw de Claudia, Effectmeting& doelbereik


